Een kleine cyclus van korte gedichten over liefde en leven, over heimwee en verdriet. Over eeuwige thema's dus.
Ik sta in de stad
met het wit van mijn ogen
wandel ik een worp ver
uitgewist
wandel ik
door een warme straat
van de stad
is een beeld
voor het zwart van mijn ogen
ik groei te saam
warm word ik één
wordt de straat
wordt mijn arm
wordt een been een gebouw
ik slaap in
ben de stad
Stad
bed
vogelbed
meisjes fluiten
hoog en hol
het meisje maakt het goed
maakt het weder goed
bloed uit de wonde
warm
De sneeuw
brengt
orde en maat
in het gelaat van de stad.
De straten zijn koud
maar warm brandt de nacht
gewekt is het vuur
en de kou in mijn handen
slaat over in duur.
Ik ken nu geen banden
We hangen aan elkander vast
verroer nu niet
want wat nu roert
kan afscheid heten
We willen blijven weten
dit ogenblik
voor altijd goed
Ik stond
sceptisch tegenover ogen
sceptisch tegenover mond
sceptisch tegenover grond
nu sluit ik ogen, mond en grond in mij
Ik leef van gevoel
omwoel de haren in mijn handen
en sluit een verbond met
glinsterende banden
Ik sta op
val neer
geef me over aan haar
Ik heb geen bezwaar
waarom niet?
is het liefde?
Ik zie je in mijn dromen
Ik zie je door de straat
naar mij toekomen
Alle gezichten lijken op u
alle gezichten stralen u af
Waar komt het wonder vandaan
dat me doet leven?
Wil je me vergeven?
Ik heb je lief.
Nooit waren nachten
nader tot mij.
Nooit waren avonden
zo zachte gezichten voor mij.
De dag is oud
barstend koud
sloeg de morgen mij tegen
ik sla een mantel om mij heen
om het leven te omgeven
te beschermen tegen tram en trein
tegen de onmenselijke schijn.