Een speelgoedbeer maakt te veel lawaai bij het spelen. Als er wordt gedreigd met straf, besluit hij voortaan te zwijgen. Maar het gaat steeds slechter met het beertje en hij begrijpt maar niet waarom.

Het kleine meisje was pas 2 jaar toen de speelgoedbeer bij haar kwam wonen, maar ze waren meteen helemaal gek op elkaar. “Bee’tje”, zei het kleine meisje elke keer als ze hem vastpakte en de speelgoedbeer bromde dan vertederd. “Ik heb een naam, ze noemt me Beertje”, dacht hij dan heel blij. Eigenlijk was de beer nog een beetje groot voor het kleine meisje en heel goed met elkaar spelen konden ze nog niet. Daarom zat Beertje meestal bij het meisje als ze met haar blokken of poppen speelde en soms viel ze met haar hoofdje op zijn buik in slaap. “Beeuuh”, bromde Beertje dan heel zachtjes, want hij was niet zo maar een speelgoedbeer, hij was een speelgoedbeer met een stem!

Toen het meisje groter groeide konden zij en Beertje steeds beter met elkaar spelen en vaak stoeiden ze ook met elkaar. En als ze zo aan het stoeien waren, moest Beertje altijd brommen: “beeuuuh, beeuuh, beeuuh”, steeds harder. En het meisje moest daar dan heel erg om lachen, ook steeds harder, tot ze een keer gilde van plezier: “gekke Beertje, brom nog ‘ns een keertje!” riep ze.

Gillen

""

Maar toen kwam de moeder van het meisje: “Sssst, niet zo hard! Het is niet netjes als kleine meisjes gillen. Anders moeten we je beer wegdoen hoor!”

Het meisje werd op slag helemaal stil en ging snel met haar lievelingspop spelen, terwijl Beertje er helemaal beteuterd bij zat. “Oei”, dacht hij, “wegdoen, dat is vast heel erg. Voortaan moet ik maar niet meer brommen, dan hoeft het meisje niet zo hard te lachen”.

En Beertje bromde niet meer en het meisje hoefde nooit meer te gillen van het lachen. Maar na een tijdje speelde het meisje steeds minder met Beertje en de meeste tijd zat hij stilletjes op een stoel in haar kamer te kijken hoe ze met haar poppen speelde, of met vriendinnetjes haar huiswerk maakte. Dat was eigenlijk saai en Beertje voelde zich steeds minder blij.

Soms, als het meisje er niet was, probeerde Beertje nog wel ‘ns zachtjes te brommen. Maar dat lukte nooit meer. “Maar dat is niet erg”, dacht Beertje dan, “ik ben nu een stille, nette beer!”

Naar zolder

Op een dag, het meisje was al best groot en speelde nooit meer met haar poppen of met Beertje, kwam de moeder naar haar kamer en zei: “je moet maar wat van je speelgoed naar zolder brengen. Het wordt hier veel te vol, ruim maar eens goed op”. Beertje kon zien dat het meisje dat helemaal niet leuk vond, maar ze pakte toch een grote doos en begon haar poppen in te pakken. En toen haar speelgoedbeesten, tot er nog drie beesten over waren: een grijze ezel, een witte beer-met-de-flaporen en ….. Beertje. “Gelukkig”, dacht Beertje opgelucht, “ik word niet opgeruimd”. Maar toen kwam het meisje met een mand en ze zette daar de grijze ezel in, en de witte beer-met-de-flaporen en ….. Beertje.

En daar stonden ze dan: dicht tegen elkaar aan in hun mand, in een hoekje van de donkere, stoffige zolder. Beertje was helemaal verslagen. “Ik ben altijd zo stil en netjes geweest en nou hebben ze me toch weggedaan!”

""

“Wha-a-at zit je daar nu beteuterd, slo-o-ome beer”, klonk het opeens bozig. “Wie zegt dat”, vroeg Beertje heel erg geschrokken en met een heel klein bibber-bromstemmetje. “I-i-i-ik, de grijze ezel”, was het antwoord. “Kun jij dan praten”, vroeg Beertje, heel verbaasd. “Ja, en ik ook”, klonk een bromstem. “Jij bent zeker de witte beer-met-de-flaporen”, wist Beertje meteen. “Ik heb jullie nog nooit eerder horen praten, hoe komt het dan nu wel….?”

“Nou ja”, bromde de witte beer-met-de-flaporen, “echt praten is het niet. Wij kunnen hardop denken in je hoofd, maar dat lukt alleen als we heel dicht bij elkaar zijn, zoals nu”.

“Ma-a-ar jij kunt wel hardop brommen”, zei de grijze ezel. “Waarom heb je niet heel hard geprotesteerd, toen je werd opgeruimd.” “Omdat dat niet netjes is”, antwoordde Beertje met een bedrukt bromstemmetje.

“Niet netjes, nu zie wat er van netjes zijn komt. Zitten we met z’n allen op een donkere, stoffige zolder. En we kunnen niet eens doen waarvoor we zijn gemaakt”, bromde de witte beer-met-de-flaporen. “Zijn wij dan ergens voor gemaakt”, vroeg Beertje heel verbaasd. “Wh-e-e-t je dat dan niet”, zei de grijze ezel. “Denk daar dan maar ‘ns goed over na, daar heb je nu de tijd voor”.

Boos

En Beertje dacht en dacht, maar hij kon niet bedenken waarvoor hij was gemaakt. En hij ging zich steeds ongelukkiger voelen, terwijl het stof van de donkere zolder dik op z’n hoofd en z’n lijf kwam te liggen. En toen op een dag, werd Beertje opeens heel erg boos. “Waarom vertellen jullie me niet, waarvoor ik ben gemaakt”, riep hij tegen de grijze ezel en de witte beer-met-de-flaporen. “Dat is iets waar je zelf achter moet komen”, zeiden die. “Maar gebruik je boosheid maar, dat helpt vast wel”. “Goed”, zei Beertje, “de volgende keer dat iemand hier op zolder komt, zal ik brommen zo hard ik kan! En dan zullen we nog wel ‘ns zien…!”

Korte tijd na de uitbarsting van Beertje, kwam het meisje naar de zolder om de kerstversiering op te halen. Die stond in hetzelfde hoekje als de mand met de grijze ezel, de witte beer-met-de-flaporen en Beertje. En toen het meisje, dat nu al een jonge vrouw was, de mand optilde, begon Beertje te brommen. “Bee-uuh”, klonk het eerst nog krassend, maar al gauw steeds harder: “beeuuh, beeuuh, beeuuh, beeuuh”.

“Hee, Beertje”, lachte het meisje, “je kunt toch nog brommen, ik dacht dat je stem al lang stuk was”.

En “gôh”, zei ze toen. “Het is eigenlijk zonde dat jullie hier op zolder staan. Daar zijn jullie toch niet voor gemaakt; er moet met jullie gespeeld worden! Ik ga jullie schoonmaken en opknappen en dan mogen jullie mee naar het kinderdagverblijf”.

Zo gezegd, zo gedaan. Het meisje begon eerst met al het stof van Beertje af te kloppen. Daar moest Beertje vreselijk hard van brommen: “beeuuh, beeuuh, beeuuh, beeuuh”. En dat maakte het meisje heel hard aan het lachen. Daar schrok Beertje eerst wel van, maar er kwam gelukkig niemand om te zeggen dat hard lachen en hard brommen niet netjes was.

Blauwe broek

Nadat al het stof van Beertje af was en hij weer helemaal fris rook, maakte het meisje de gaten in z’n voetjes dicht, en ze gaf hem een nieuw neusje en een nieuw oor. En de grootste verrassing: hij kreeg een prachtige blauwe broek met rode helpen!

""

En toen kwam de grote dag: Beertje en de grijze ezel en de witte beer-met-de-flaporen mochten mee naar het kinderdagverblijf!

Beertje was vreselijk opgewonden en toen hij op het kinderdagverblijf kwam wist hij niet wat hij zag en hoorde. Zó veel kinderen had hij nog nooit gezien en zó veel gelach en gegil had hij nog nooit gehoord. En niemand die zei dat dat niet netjes was. En toen werd Beertje heel erg blij en hij begon te brommen en te brommen en te brommen. En alle kinderen vonden dat heel erg leuk en ze wilden allemaal met hém spelen. En daarvan werd Beertje nóg blijer: “beeuuh, beeuuh, beeuuh, beeuuh”, deed hij de hele dag, “beeuuh, beeuuh, beeuuh, beeuuh”.

Aan het einde van de lange en drukke dag toen alle kinderen naar huis waren, was Beertje doodmoe. Vlak voor hij in slaap viel dacht hij: “dit was fijnste dag van mijn leven. Ik heb mogen spelen en brommen. Ik heb kinderen blij gemaakt. Ik ben de gelukkigste speelgoedbeer van de hele wereld!”


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in