Aan het begin van de twaalfde maand van het islamitische jaar wordt de bedevaart naar Mekka gehouden. Deze twaalfde maand telt 29 of 30 dagen, afhankelijk van het feit of het een schrikkeljaar is of niet. De bedevaart naar Mekka wordt afgesloten met het offerfeest, dat op de tiende dag van de maand begint en drie dagen duurt. Wat zijn de achtergronden?
Mekka
Tegenwoordig wordt Mekka vooral in verband gebracht met de profeet Mohammed omdat hij daar geboren is. Maar al lang voor Mohammed was Mekka een heilige plaats.
Volgens de gelovigen had Adam, de eerste door God geschapen mens, in Mekka een kubusvormige tempel gebouwd. In de eeuwen erna bleef de mens niet monotheïstisch en de tempel stond vol afgodsbeelden. Later zou Ibrahim (Abraham) de tempel gezuiverd hebben van deze beelden en de tempel hebben herbouwd. In de tijd van Mohammed was de tempel echter opnieuw gevuld met afgodsbeelden. Veel Arabische stammen waren namelijk polytheïstisch; zij geloofden in meerdere goden.
Mohammed had het monotheïsme van zijn grootvader overgenomen en hij was diep onder de indruk van de verhalen over bijvoorbeeld Ibrahim. Deze zou in de omgeving van Mekka hebben gewoond met zijn vrouw Sara en zijn bijvrouw Hagar. Hier was het dat God het geloof van Ibrahim op de proef stelde door hem op te dragen zijn zoon Ismaël te offeren. Ismaël was de zoon van Hagar, en Isaac was de zoon van Sara. In de bijbel wordt Isaac genoemd als zoon die Abraham zou moeten offeren.
In de heuvels rond Mekka vertoonde de duivel zich aan Ibrahim en probeerde hem ervan te weerhouden Ismaël te offeren. Op het moment dat Ibrahim met zijn mes Ismaël wilde doden, zond God een ram dat de plaats van Ismaël mocht innemen.
Mohammed zou rechtstreeks afstammen van Ismaël en mede daarom is dit verhaal zo belangrijk voor de moslims.
Ook was het in de heuvels rond Mekka dat Hagar met Ismaël rondzwierf, wanhopig op zoek naar water, nadat Ibrahim op verzoek van Sara, Hagar met hun zoontje had weggestuurd. Nadat Hagar zeven maal heen en weer had gelopen tussen twee heuveltoppen (Safa en Marwah), liet God een bron ontspringen. Het water spoot zo hard, dat zij ‘zam, zam’ riep (stop, stop) en dat werd de naam van het water dat zijn weg naar Mekka vond en nog altijd door de kelder van de Grote Moskee stroomt.
Mohammed heeft in zijn leven verschillende keren de heilige plaatsen bezocht die in deze verhalen een rol spelen. De laatste bedevaart, in zijn sterfjaar, is als voorbeeld voor de huidige bedevaart genomen.
De bedevaart
Elke gezonde moslim (zowel geestelijk als lichamelijk) die voldoende geld heeft, moet een keer op bedevaart gaan. Het hebben van voldoende geld is een belangrijke voorwaarde: iemand mag pas op bedevaart gaan als hij of zij geen schulden heeft en als hij of zij in het onderhoud kan blijven voorzien van degenen die achterblijven gedurende de bedevaart.
Als men eenmaal op bedevaart geweest is, kan men het ook voor iemand doen die niet gezond (meer) is en zelfs voor iemand die is overleden.
De bedevaart bestaat uit twee onderdelen; de oemrah en de hadj. De oemrah kan ook afzonderlijk van de hadj worden uitgevoerd en dat kan het hele jaar door. De oemrah wordt ook wel de kleine bedevaart genoemd. De hadj vindt altijd plaats in de twaalfde maand, vanaf de negende tot en met de twaalfde dag van de maand.
De oemrah
Vanaf het begin van de twaalfde maand kan men beginnen met de bedevaart maar het meest gebruikelijk is om op de zevende dag van de maand te beginnen.
Voor de bedevaartganger Mekka betreedt, moet hij in gewijde staat zijn. Dat betekent dat hij zich ritueel gewassen heeft, geschoren is, de nagels geknipt heeft en de juiste kleding draagt. Voor de man bestaat deze kleding uit twee losse witte doeken. Een daarvan is om de lendenen geslagen, de ander om de schouder. Een vrouw draagt bij voorkeur ook witte kleding maar dat is geen voorschrift. Haar hele lichaam moet bedekt zijn, behalve haar gezicht en handen. Deze kleding mag tijdens de hadj niet meer worden uitgetrokken en men mag geen haren of nagels meer knippen. Ook mogen er geen sieraden of parfums gedragen worden.
Het eerst gaat de pelgrim naar Mekka, naar de Grote Moskee, waar in het midden de kubusvormige tempel (Ka’bah) staat. In de muur van deze Ka’bah is een zwarte steen van een vierkante meter ingemetseld. Sommigen menen dat Mohammed deze steen heeft ingemetseld, anderen geloven dat Ibrahim dit al gedaan heeft en dat deze eerst wit was, maar dat hij zwart is geworden door de zonden van de mens. Weer anderen menen dat de steen door de engel Gabriël geschonken is.
De pelgrim zal proberen deze steen aan te raken of te kussen maar omdat dit vanwege de enorme mensenmassa’s meestal niet lukt, kan de bedevaartganger zijn rechterarm opgeheven houden als hij zeven maal rond de Ka’bah loopt. Dit gebeurt tegen de wijzers van de klok in. De mannen doen de eerste drie rondgangen in looppas, de laatste vier in wandelpas. De vrouwen doen alle zeven rondes in wandelpas.
Hierna drinken veel gelovigen het water van de Zamzam die door de kelder stroomt, maar dat is niet verplicht.
Dan gaan de pelgrims naar de heuvels waar Hagar en Ismaël naar water zochten. Ze lopen dezelfde route, zeven maal van de ene heuveltop naar de andere, in een steeds hoger tempo.
Hierna begeven zij zich naar de terreinen buiten het gebied van de Grote Moskee, waar tenten maar ook vijfsterrenhotels staan en daar blijven zij tot zonsondergang van de achtste dag van de maand. De lengte van dit verblijf hangt af van wanneer de bedevaartganger aan de pelgrimage begonnen is.
De hadj
Na zonsondergang van de achtste dag gaan de pelgrims op weg naar Mina, 8 kilometer ten oosten van Mekka, en brengen daar de nacht in gebed door. Na zonsopkomst de volgende ochtend, trekken ze naar de berg Arafat, 15 kilometer ten oosten van Mina, in de woestijn. Hier brengen ze de middag in gebed en gezang door. Dit deel van de bedevaart is het belangrijkste en vormt de kern van de hadj. Na zonsondergang gaan de pelgrims naar Muzdalifah, waar zij steentjes verzamelen waarmee drie zuilen elk met zeven steentjes bekogeld worden. De zuilen symboliseren de duivel die Ibrahim probeerde te verleiden ongehoorzaam te zijn aan God en Ismaël niet te offeren. Op Muzdalifah brengen de bedevaartgangers de nacht door.
De volgende ochtend na zonsopkomst, de ochtend van de tiende dag, wordt het heilige bidvertrek in Mekka bezocht. Daarna gaat men terug naar Mina en ook daar wordt weer een zuil – die de grootste duivel symboliseert – bekogeld.
Deze tiende dag is tevens de eerste dag van het offerfeest. In Mina worden schapen, geiten, runderen en kamelen geofferd. Na het offeren laten de mannen hun hoofden kaal scheren en de vrouwen laten enkele haarlokken knippen. Hierna keert men terug naar Mekka om nogmaals zeven rondgangen rond de Ka’bah te maken. Met deze rondgang wordt de gewijde staat opgeheven en men gaat terug naar Mina waar de nacht wordt doorgebracht.
Ook op de elfde en de twaalfde dag worden de zuilen die de duivel symboliseren, bekogeld. Hierna kan men teruggaan naar Mekka voor de afscheidsronden rond de Ka’bah en daarmee wordt de grote bedevaart beëindigd.
Het offerfeest
Moslims die niet op bedevaart gaan, vieren thuis het offerfeest. Het offerfeest wordt door veel moslims als het belangrijkste feest gezien.
In de steden zijn in de weken voorafgaand aan het offerfeest kleine ‘veemarkten’ te vinden waar geiten en schapen te koop worden aangeboden. In de dorpen hebben veel gezinnen hun eigen schaap of geit voor het offeren grootgebracht. Ook grotere dieren zoals runderen en kamelen kunnen geslacht worden. Veel gemeenten hebben speciale plaatsen aangewezen waar het slachten zou moeten plaatsvinden maar in de praktijk gebeurt het slachten nog vaak bij huis.
Op de eerste dag van het offerfeest wordt het dier ritueel geslacht en in drie stukken verdeeld. Een deel wordt door de familie en gasten gegeten, een deel wordt aan buren en kennissen weggegeven en het derde deel wordt aan de armen geschonken.
Het offerfeest duurt drie dagen en tijdens deze periode zijn kantoren, scholen en overheidsinstellingen gesloten.