Freestyle skiën staat bekend om de spectaculaire trics en trucs, de sprongen en de salto’s. Bij deze sport spelen zowel kracht, techniek als artistiek vermogen een belangrijke rol.

Bij het freestyle skiën gaan de sporters van lage tot heel hoge schansen af. Ook worden buizen en zelfs tafels gebruikt om vanaf te glijden met de ski’s. De skiërs nemen eerst een ‘aanloop’ door enkele meters lang rechtdoor te skiën, om vervolgens van een schans af te gaan of over een buis te glijden met de ski’s.

Bij deze vorm van skiën heb je een speciale soort ski nodig, namelijk de twintip ski. Zowel de voor- als de achterkant (dus beide ‘toppen’) van deze ski’s zijn rond gevormd. Op deze manier kun je zowel goed skiën als je voor- als achteruit gaat, wat heel belangrijk is voor een freestyle skiër.

Er worden speciale freestyle skiwedstrijden georganiseerd. Daarbij zijn verschillende onderdelen. Zo zijn er de aerials, waarbij de deelnemers zelf bepalen hoe lang hun aanloop is en welke schans ze nemen. Een ander wedstrijdonderdeel is de moguls. Voor veel skiërs zijn de heuvels waar het hierbij om gaat, beter bekend onder de naam ‘buckels’. De deelnemers moeten hierbij zo snel mogelijk over heel veel hobbels naar beneden skiën, waarbij ze onderweg twee keer een sprong maken over een schans.

Bij het freestyle skiën kun je op verschillende manieren over een schans springen. De sprongen hebben allemaal aparte namen. Mogelijkheden zijn om de ski’s tijdens de sprong vast te pakken of om de benen uit elkaar te bewegen tijdens de sprong in de lucht.

Je kunt heel goed freestyle skiën in bijvoorbeeld Scandinavië, Noord-Amerika en de Alpen. Wil je het eerst eens in de buurt uitproberen, dan kun je bij verschillende indoor skihallen in Nederland terecht. Daar zijn kleinere freestyle skipistes dan in het buitenland, maar je kunt er prima oefenen met het springen van schansen en het glijden van buizen. 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in