Anorexia. Een diep gat waarvan ik nooit van m’n leven had verwacht dat ik erin zou trappen. Ik achtte mezelf te ‘slim’, te verstandig om door haar om de tuin te worden geleid. Laat dat nu juist de instelling zijn waar de stoornis gretig misbruik van maakt…

Terwijl jij je nietsvermoedend voor blijft houden dat er niets aan de hand is, tuimel je voorover in die bodemloze put. En tegen de tijd dat je in gaten hebt dat er iets niet klopt, zit je al hopeloos verstrikt in haar web.

Het heeft lang geduurd voordat ik inzag dat er echt een probleem was. Nog langer voordat ik het kon erkennen. En nog veel langer voordat ik er echt iets aan kon gaan doen. Op dit moment zit ik weer op een gezond gewicht. Sinds het begin van mijn opname dat begon in mei, ben ik alweer zo’n tien kilo aangekomen. Mijn lichaam is langzaam aan het herstellen. In het begin protesteerden mijn maag en darmen hevig tegen het opnieuw invoeren van vast voedsel, maar dit gaat nu gelukkig stukken beter. Ik zie geen botten meer uitsteken waar het zacht hoort te zijn, ik heb geen spontane blauwe plekken meer op vreemde plaatsen en zitten en liggen doet geen pijn meer. Ik voel me niet meer voortdurend alsof ik zweef en ik hoef niet meer telkens mijn ogen dicht te knijpen tegen de sterretjes en duizelingen. Mijn menstruatie cyclus laat nog op zich wachten, maar het gaat lichamelijk steeds beter. Veel mensen zouden nu denken, probleem opgelost. Toch? Helaas, was het maar zo simpel. Het begint me steeds duidelijker te worden dat de grootste strijd nu pas begint.

Het Duiveltje…

Er zit een duiveltje op mijn schouder die zich voordoet  als engeltje. Zij heeft mij geholpen toen de nood hoog was en is me altijd bijgebleven. Als het moeilijk wordt, dan springt ze voor mij in de bres. Ze hoefde er niets voor terug, zei ze. Behalve mijn leven dan, maar dat besef ik nu pas. Als ik me bedenk dat de tijd toch echt begint te dringen, dan slaat de paniek toe. Ik heb nog een paar maanden de tijd en ik besef heel goed dat ik niet zomaar ‘genezen’ uit deze kliniek kom. Als ik beter wil worden, dan moet ik het echt zelf doen. Een opmerking die je vaak genoeg naar je hoofd geslingerd krijgt, maar wat nooit echt tot je doordringt. Nu pas zie ik in wat het betekent en het besef dat dit met zich meebrengt, maakt me enorm bang en onrustig.
Ik weet dat ik nog heel veel te doen heb, maar op moment zelf komt er niets. Wellicht sta ik nog niet genoeg in contact met mijn emotionele binnenwereld om het aan te kunnen pakken. En dit komt grotendeels door de copingsmechanismen die ik gebruik om dat te onderdrukken. Copingsmechanismen zijn manieren waarop mensen omgaan met problemen en gebeurtenissen, alsmede heftige gevoelens of gedachten. Voor mij zijn het de trucjes die het duiveltje op mijn schouder mij telkens weer aan blijft reiken. Vasten, eten, braken, snijden, en ga zo maar door.

Als ik deze mechanismen niet loslaat, dan blijft die binnenwereld onderdrukt, en dan kan ik dus ook nergens écht aan werken. Dan kom ik deze kliniek uit zonder dat er ook maar iets is veranderd. En dat wil ik niet. Dat wil ik écht niet. Die mechanismen, daar moet ik dus vanaf. Maar het duiveltje zegt nee. Het duiveltje voelt zich wel heel erg aan de kant geschoven, na alles wat ze voor mij gedaan heeft. Daarbij ben ik na al die jaren ook behoorlijk van haar afhankelijk geworden. Ik haat haar, maar ik houd van haar. Het duiveltje is sluw. Ze trekt alles uit de kast om te zorgen dat ik haar niet loslaat. Vaak genoeg heb ik haar maniertjes niet eens in de gaten. Het frustreert me enorm, want ik weet dondersgoed dat het zal moeten en ik ‘wil’ het ook, maar het duiveltje is nog steeds sterker. Rotbeest.

Telkens weer begin ik vol goede moed met de strijd. Het lukt dan even, totdat mijn energie op is, of ik gewoon even niet goed oplet. Dan pakt ze mij keihard terug. Voor ik het weet, zit ik middenin een misstap en kan ik niet meer terug. Ik word dan zo pissig op mezelf, maar toch doe ik het. En daarna slaat de angst weer toe, want iedere keer als ik breek, stel ik het ‘terug bij mezelf komen’ weer uit. En de tijd begint te dringen, ik wil niet nog meer tijd verspillen.

Anorexia, de loverboy…

Een eetstoornis kun je goed vergelijken met de werkwijze van een loverboy.
Je weet van zijn bestaan af en van zijn reputatie. Je hebt de verhalen gehoord, maar op een of andere manier heeft hij toch een zekere aantrekkingskracht. Je weet niet dat hij je stiekem al een tijdje in de gaten houdt, dat hij weet van jouw zwakten en dat hij jou ziet als een geschikt slachtoffer. Ondertussen kijk jij van een afstand toe en ben je ervan overtuigd dat het voor jou anders zal zijn. En dan ontmoet je hem. Hij is lief voor je, geeft je allerlei mooie geschenken en alle aandacht die jij zo hard nodig hebt. Je voelt je fijn bij hem. Veilig. Bijzonder. Dit is wel heel fijn, denk je. Het werkt. En je voelt je geweldig. Hij belooft je dat hij voor je zal zorgen, dat hij van je houdt, dat je niets kan overkomen als hij er is. Je gaat hem vertrouwen. Je vraagt je af waarom iedereen toch zo negatief over hem doet. Misschien is hij veranderd, of misschien hebben zij het gewoon mis. Misschien zijn ze jaloers. Hij bevestigt dit en langzamerhand weekt hij je los van de anderen om je heen. Hij maakt je van hem afhankelijk. Uiteindelijk heb je alleen nog maar hem. Je bent smoorverliefd, en liefde maakt blind.

En dan slaat hij om. Hij dwingt je tot dingen die jij eigenlijk niet zo fijn vind. Je mag de dingen niet meer waar je voorheen van genoot. Hij zorgt dat je alleen nog maar voor hem kan, wilt en durf te kiezen. Eerst is het maar ‘voor eventjes’. Maar dat eventjes breidt uit, en voor je het weet zit je diep in de shit. Je kunt niet meer terug. Hij bedreigt je, bedreigt je geliefden. En dan is hij weer super lief, en gaat alles perfect. Hij wringt zich in alle mogelijke bochten om te zorgen dat jij je niet meer uit zijn houdgreep kan losmaken. Je bent in de war en weet niet meer waar je aan toe bent. Het is een haat/liefde verhouding. Je wilt weg, je wilt niet. Je houdt van hem, je haat hem. Je bent bang voor hem, maar je vertrouwt hem. Je hebt hem nodig. Je wilt weg, maar je durft niet. En je zou ook niet weten waar je anders naartoe zou moeten en wat er zonder hem van je leven over zou blijven. Misschien probeer je wel eens te ontsnappen. Soms lukt dit, eventjes. Maar hij zal je altijd weer vinden. En dan zijn de poppen aan het dansen. Voor je het weet, ben je weer terug bij af.

En dan lukt het je om vrij te komen. Je ontsnapt en misschien krijg je hulp. Je ziet misschien in dat er iets heel erg mis was, en je wilt eigenlijk niet meer terug. Maar stiekem heb je ook heimwee. Stiekem, mis je hem. Je voelt je leeg van binnen. Lange tijd was hij alles, je werd geleefd. Nu hij er niet is, blijft er een gat achter. En deze is zeer moeilijk op te vullen. Op een dag staat hij weer voor je deur. Hij biedt zijn excuses aan. Hij is liever dan ooit. En jij hebt hem nodig, want de leegte is hels. Je voelt liever pijn, dan helemaal niets. En daar ga je weer. Van voor af aan. En als het even tegenzit, heb je nog wat goed te maken ook. Er is werk aan de winkel.

Het is een vicieuze cirkel. En het is een lang, zwaar proces om je eruit los te kunnen wrikken.

De strijd duurt voort…

Er zijn veel vragen, maar er komen steeds meer antwoorden. Hoe kwam ik hierin terecht? Waarom blijf ik erin vast zitten? En dan vooral, hoe kom ik eruit? Ik moet ook enorm oppassen dat ik, bij het losweken van de eetstoornis, niet terugval in een ander (oud of nieuw) mechanisme, zoals het snijden.

Op het moment zit ik er middenin. Als ik mezelf in de spiegel zie, dan walg ik. De getallen op de weegschaal doen mij het zweet uitbreken. Ik voel me monsterlijk, ook al weet ik rationeel gezien dat dit onzin is. Als de spanning toeneemt, wat onvermijdelijk is als je iets op moet geven wat de spanning juist onderdrukte, dan slaat de paniek toe. De drang is dan groot om je om te keren en terug te hollen naar de veiligheid. Ik zwalk heen en weer tussen het wel en niet willen, het wel en niet durven, het wel en niet de kracht hebben. Er zit nog steeds een kronkel ter lengte van de Chinese muur in mijn hoofd. Het duiveltje zit er immers nog steeds, en die doet z’n uiterste best om mij terug te winnen. Ik ga twee stapjes vooruit, en eentje terug, telkens weer.

Aan het einde van iedere therapieweek ben ik gebroken. Sterker nog, aan het einde van iedere dag ben ik gebroken.
Ik merk dat ik steeds meer ga voelen. Ik ben ook steeds onrustiger en vaak weet ik niet meer waar ik het zoeken moet.
Tot nu toe lukt het mij om het vast te houden, al is het met vallen en opstaan. We zijn er nog lang niet. Maar er gebeurt genoeg. Het enige wat ik echt met zekerheid kan zeggen, is dat ik keihard aan het werk ben. Hoe ik hier ook naderhand uitkom, you can’t say I didn’t try.

De strijd is nog altijd in volle gang…

Dagboek Carolien Smit, September 2009

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in