Dagelijks reizen er duizenden mensen met de trein. En van deze duizenden mensen is er weer een groep die het nodig vindt om luid en duidelijk hun telefoongesprekken te voeren in het bijzijn van hun medereizigers.
Binnen het treinverkeer bestaan er twee groepen mensen als het om telefoneren gaat. Het gaat hier namelijk om de passieve en actieve groep.
De passieve reiziger neemt zijn telefoon op met: ‘Heej! Ik zit nu in de trein dus ik bel je later even terug. Ja, is goed. Daaaag’. Deze forens hangt na dit gesprek van 15 seconden op en concentreert zich weer op zijn gratis krantje of potje patience op zijn laptop.
De tweede groep NS-aanhangers zijn de actieve telefooneerders in ons land. Zij kenmerken zich door gesprekken van minstens een half uur in een overvolle trein. Deze groep is echter weer te verdelen in twee subgroepen. Subgroep nummer 1 zijn de mensen die tijdens de spits echt hun gehele levensverhaal kwijt moeten aan de persoon die ze op dat moment aan de telefoon hebben. ‘Ja, ik weet niet waarom hij me heeft gedumpt nadat ik met zijn beste vriend gezoend heb. We hadden zelfs net twee katten gekocht voor in ons huisje’. Dit onder het genot van luid gesnik, gesnotter en geen schaamte. Deze persoon heeft op dat moment het idee dat het alleen op de wereld is.
De tweede subgroep hangt op dat moment aan de telefoon omdat hij de medemens maar al te graag wil laten weten hoe goed hij het voor elkaar heeft. In de helft van deze gevallen heeft deze persoon geen gesprekspartner maar voert daarentegen een gesprek met een denkbeeldige bewonderaar. Vreemd, maar deze groep houdt na het eind van de maand een hoop belminuten over.
Als ik mijn telefoon hoor trillen druk ik het gesprek snel weg. Als het echt belangrijk is, bellen ze me later wel terug. Ik en mijn relatie met mijn telefoon moeten vergeleken tot een groot gedeelte van Nederland toch maar eens in therapie…