Volgens mijn oma dorst er niemand tegen haar in te gaan, ik durfde het inderdaad niet. Geen haar op mijn hoofd die er aan dacht of is het tegenwoordig denkte? De computer geeft in ieder geval aan dat dit niet de correcte verbuiging is. Nieuwe werkwoorden die in het Nederlands ontstaan of  aan andere talen ontleend worden, worden vervoegd als zwakke werkwoorden.  

Begrip is voor taalgebruikers de eerste prioriteit, hierna volgt de behoefte van een taalgebruiker om zo min mogelijk energie te verspillen wanneer boodschappen overgebracht moeten worden. In het Nederlands bestaan meer zwakke werkwoorden dan sterke. We kunnen daarom veronderstellen, dat in de toekomst de taal zodanig verandert, dat uiteindelijk alle werkwoorden in de verleden tijd uitgangen op –te dan wel –de krijgen.
 

Vraagstelling

Er zijn een aantal werkwoorden waarbij zich door de jaren heen een morfologische verandering heeft voorgedaan. Het sterke werkwoord raden bijvoorbeeld heeft als verleden tijd ried, maar inmiddels treffen we vaker raadde aan. Deze nieuwe vorm is naar analogie van het zwakke werkwoord ontstaan. Het begrip analogie geeft aan dat het hier om een verandering gaat, waar geen regels of wetten aan verbonden zijn. Deze veranderingen komen incidenteel voor. De vraag is dus of het gebruik van sterke werkwoorden in de toekomst gehandhaafd blijft. Om duidelijk te krijgen of er sprake is van taalverandering op het gebied van verleden-tijdvorming van sterke werkwoorden, heb ik een klein onderzoek gedaan.

Het onderzoek

Om de vraag te kunnen beantwoorden, heb ik gekozen voor een schijnbare-tijdonderzoek. Het gaat hier om een onderzoek waarbij het taalgebruik wordt vergeleken tussen jongeren en ouderen. Men neemt aan dat de taal rond het twintigste levensjaar verworven wordt en dat geen noemenswaardige wijzigingen meer optreden. Mensen tussen de 35 en de 60 jaar richten zich meestal meer op de standaardtaal en komen daarom in dit onderzoek niet aan bod. Ik heb me in dit onderzoek gericht op het vergelijken van taalgebruik tussen 20-25-jarigen en 70-75-jarigen.

Werkwijze

Voor het onderzoek heb ik aan twee vrouwelijke informanten gevraagd mee te werken. Informant 1 is 23 jaar, studeert Engels en is vanaf haar geboorte woonachtig in Den Haag. Informant 2 is een 75-jarige vrouw uit Delft. Zij heeft na de middelbare school niet de mogelijkheid gekregen verder te leren.

Beide deelnemers heb ik een lijst voorgelegd bestaande uit 24 zinnen. In deze zinnen ontbrak de persoonsvorm, het was de bedoeling dat de deelnemers de verleden tijd van het werkwoord invulde. De werkwoorden die voor deze invultest gebruikt werden, bestonden uit veertien laagfrequente werkwoorden, frequente werkwoorden en 6 zwakke werkwoorden. Deze laatste 6 dienden als afleider. Vervolgens heb ik de deelnemers 6 zinnen laten lezen. Deze zinnen moesten beoordeeld worden. Er waren vier mogelijkheden om de zinnen te beoordelen:

  1. goed;
  2. beetje vreemd;
  3. fout;
  4. erg fout.

Als de informant een zin fout vond, dan moest zij ook aangeven waarom de zin  dan precies fout was.

Resultaten van het onderzoek

Hieronder volgt een schema waarin de overeenkomsten en verschillen naar voren komen. Aan de hand daarvan heb ik mijn conclusies getrokken.

Invultest A

 

Frequente

 werkwoorden

Informant 1

Informant 2

Helpen

Hielp

Hielp

Toelaten

Toeliet

Toeliet

Nemen

Namen

Namen

Trekken

Trok

Trok

 

 

Laagfrequente werkwoorden

Informant

1

Informant

2

Stuiven

Stoven

Stoven

Ontvangen

Ontving

Ontving

Bewegen

Bewoog

bewoog

Verzinnen

Verzon

Verzon

Bedriegen

Bedrogen

Bedrogen

Smijten

Smeet

Smeet

Blinken

Blonken

Blonken

Vreten

Vrat

Vrat

Blazen

Blies

Blies

Sluipen

Sloop

Sloop

Verwerven

Verwerfde

Verwierf

Verbergen

Verbergde

Verborg

Zwellen

Zwelde

Zwol

Bevelen

Beveelde

Beval

 

 Beoordelingstest A

 

Frequente werkwoorden

Informant 1

Informant 2

Geefden

4

4

Beginden

4

4

Kijkten

4

4

 

 

Laagfrequente

werkwoorden

Informant 1

Informant 2

Bezwijkten

2

4

Glimden

1

4

Geneesden

1

4

Beide informanten gaven bij de beoordelingstest aan dat wanneer een zin fout was, de fout in het betreffende werkwoord zat. Informant 1 vond het gebruik van bezwijkten vreemd klinken, maar kon niet aangeven waar dit aan lag. Ze heeft tijdens het beoordelen geen andere optie gegeven.

Vergelijking van de resultaten

Beide informanten hebben de frequente werkwoorden op de juiste manier vervoegd. Ze twijfelden hierbij niet. Bij de laagfrequente werkwoorden is in de tabel waar te nemen dat Informant 1 een aantal sterke werkwoorden verbogen heeft alsof het zwakke werkwoorden zijn. Tijdens het invullen heeft ze hierover geen moment getwijfeld.

Bij de beoordelingstest heeft Informant 2 stellig aangegeven dat de werkwoorden in de zinnen foutief toegepast werden. Informant 1 kwam bij de frequente werkwoorden direct tot de conclusie dat de werkwoorden foutief werden gebruikt. Bij de laagfrequente werkwoorden gaf zij echter aan dat de vormen goed toegepast waren. Bij het werkwoord bezwijken heeft ze aangegeven dat ze twijfelde over het correcte gebruik, maar ze zou het niet als fout willen bestempelen.

Conclusie

Aan het onderzoek hebben slechts twee mensen meegewerkt. De resultaten leveren hierdoor niet voldoende bewijs om te spreken van taalverandering. Toch wil ik mij aan een voorzichtige conclusie wagen. Sterke werkwoorden die regelmatig voorkomen zijn dusdanig ingeburgerd, dat er van taalverandering voorlopig geen sprake is.

Voor de minder frequent gebruikte werkwoorden ligt het anders. Uit het onderzoek komt naar voren dat bijna 30% van de laagfrequente werkwoorden als zwakke werkwoorden worden gebruikt. Het lijkt erop dat er voor deze werkwoorden in de toekomst twee mogelijkheden ontstaan. Als je in gedachte houdt dat de taalgebruiker erop uit is het zichzelf en anderen zo makkelijk mogelijk te maken, zonder daarbij onduidelijk te worden, dan bestaat de kans, dat het gebruik van een zwakke vorm in de verleden tijd de voorkeur krijgt, met name in de schrijftaal. Het feit dat er meer zwakke werkwoorden zijn draagt hiertoe bij, omdat alle werkwoorden in een tekst dan op analogische wijze vervoegd worden. Natuurlijk met uitzondering van de frequente sterke werkwoorden.

Op basis van de gegevens uit de beoordelingstest kan ik concluderen, dat in geschreven teksten het zwak vervoegen van sterke werkwoorden bij jongeren eerder geaccepteerd wordt. Om die reden denk ik dat we ervan uit kunnen gaan dat in de toekomst bepaalde minder frequent gebruikte werkwoorden op twee manieren vervoegd kunnen worden. Welke werkwoorden hiervoor in aanmerking komen, zal de toekomst uit moeten wijzen. Het is dus nog te vroeg om van taalverandering te spreken. Het sterke werkwoord heeft voorlopig nog niet aan kracht verloren.

M, van der Wal, C van Bree: Geschiedenis van het Nederlands. 3e dr. Utrecht, 2002
T. Jansen (red): Taal in gebruik. Inleiding in de taalwetenschap. Den Haag, 2002

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in