Tegenwoordig maken mensen steeds meer gebruik van interactieve media zoals Twitter, Facebook en YouTube ten opzichte van traditionele media zoals de krant en de radio. In dit artikel wordt uitgelegd wat er anders is aan nieuwe media en waarom mensen nieuwe media gebruiken.
Gebruik en behoefte
De Uses and Gratificationstheorie gaat er vanuit dat mensen media gebruiken om hun behoeften te vervullen, bijvoorbeeld de behoefte aan ontspanning of de behoefte aan informatie. Traditionele media bieden inhoud aan die het publiek naar eigen behoefte kan gebruiken. Dat wil zeggen dat er verschillende soorten tv-programma's, radiozenders en kranten zijn. Het publiek heeft tot op zekere hoogte wel een keuze welke mediainhoud het wil gebruiken (ze kiezen zelf waar ze naar kijken, luisteren of wat ze lezen) en in zekere mate bepaalt het publiek ook het tijdstip waarop mediainhoud bekeken wordt, bijvoorbeeld door een DVD te kijken of een tv-programma op te nemen. Toch staat de aangeboden inhoud vast, aangezien het publiek niet degene is die de krant drukt of een televisiezender programmeert. Dit is een beperking bij het bevredigen van behoeften, omdat de mediagebruiker niet altijd precies dat kan consumeren wat hij wil. Hoewel de mediagebruiker (volgens de Uses & Gratificationstheorie) actief zijn best zal doen om zijn behoeften op dat moment zo goed mogelijk te bevredigen, voldoet het aanbod simpelweg niet altijd aan de behoeften die de mediagebruiker op dat moment heeft. Bovendien hebben onder andere de volgende factoren een negatieve invloed op de activiteit van de traditionele mediagebruiker: het doen van anderen dingen tijdens het televisiekijken of radio luisteren; de wisselende betrokkenheid door bijvoorbeeld praten met anderen of de aanwezigheid van achtergrondgeluiden en tenslotte het gebruik van traditionele media als gewoonte. Dat wil zeggen dat mensen elke avond tv kijken of de krant lezen, maar niet hun volledige aandacht erbij hebben. Bij interactieve media is dat anders. De gebruiker beslist zelf wanneer hij welke media gebruikt (het anytime anywhere principe) en kan ook tot op zekere hoogte de inhoud bepalen. Die invloed verschilt per interactief medium maar is wel groter dan bij traditionele media. Daardoor zal het gebruik van interactieve media niet zozeer een gewoonte zijn en omdat er voor interactiviteit aandacht en concentratie nodig is, zal de betrokkenheid ook groter zijn dan bij traditionele media. Daarom zijn interactieve media succesvoller in het bevredigen van behoeften dan traditionele media.
Daarnaast zijn interactieve media succesvol omdat de gebruiker een grote mate van controle heeft. Het gebruik van een interactief medium voldoet meer aan de verwachting van de gebruiker omdat men de inhoud kan beïnvloeden. Hierdoor zal een interactieve mediagebruiker niet snel teleurgesteld zijn in de inhoud van het medium. Bij een videogame kunnen wel negatieve gevoelens ontstaan als het spelen van het spel niet goed lukt, maar dit is dan vaak een motivatie om juist door te spelen. Op een forum of in een chatroom kunnen discussies ontstaan als de mediagebruiker het niet eens is met de bestaande inhoud, maar het zal de gebruiker waarschijnlijk voldoening geven om zijn eigen mening te uiten. Al deze factoren samen, dus: meer controle, minder teleurstelling en daardoor een betere vervulling van de behoeften van de mediagebruiker, leiden tot een groter succes van interactieve dan traditionele media.
YouTube
Een voorbeeld van een succesvol medium is YouTube. Met succes wordt hier bedoeld dat het veel gebruikers trekt. Deze website staat op nummer 10 van de meest bezochte websites van het moment en per dag worden er 100 miljoen filmpjes bekeken. Elke dag worden er 65.000 nieuwe filmpjes geüpload. Het succes van YouTube ligt in de simpele formule: watch, upload en share. Naast het zelf bekijken en uploaden van filmpjes kan de gebruiker zich ook aansluiten bij videogroepen met mensen met dezelfde interesses, ‘abonneren’ op filmpjes van een bepaalde gebruiker, filmpjes op hun blog zetten en nog veel meer. De inhoud van de filmpjes beslaat zoveel onderwerpen dat er voor iedereen wel wat is: homevideo’s, nieuws, sport, muziek, reclames, etc. Het concept van YouTube voldoet aan de kenmerken voor nieuwe media: interactiviteit, ‘demassification’ en asynchronisme. Interactiviteit is al besproken. Demassification wil zeggen: de mogelijkheid voor de mediagebruiker om te selecteren uit een uitgebreid aanbod, oftewel de invloed van het individu op het medium. Asynchronisme betekent dat zenders en ontvangers de boodschap niet op hetzelfde tijdstip hoeven te verzenden en ontvangen. Voor YouTube betekent dat dat iemand een filmpje kan uploaden op YouTube en dat men er bijvoorbeeld pas een dag later naar kijkt. Verder draagt het feit dat er niet betaald hoeft te worden om de inhoud van YouTube te bekijken en het feit dat er weinig tot geen reclame op de website te zien is, bij aan het succes van YouTube. Ook de theorie van Schutz is van toepassing op YouTube. Deze theorie stelt dat mensen drie interpersoonlijke behoeften hebben: inclusie, affectie en controle. Inclusie houdt in dat mensen graag tot een groep willen behoren of willen interacteren met anderen. Dat gebeurt op YouTube door de mogelijkheid om je aan te sluiten bij een videogroep. Het plaatsen van filmpjes op YouTube om waardering van andere gebruikers te krijgen, kan gezien worden als de behoefte aan affectie. Verschillende personen en bandjes zijn al bekend geworden door hun filmpjes op YouTube. Er kan dus gesteld worden dat YouTube een succesvol, interactief medium is.
Ruggiero, T. E. (2000). Uses and gratifications theory in the 21st century. Mass Communication & Society, 3, 3-37.